Column
9 mei, Jan Jacobs
Enige tijd voor de tweede
wereldoorlog begon mijn lagere schooltijd. Daar kregen we alle jaren iedere
week een half uur zingen.
Die les werd meestal gegeven door de klassenleraar –broeder Spits
of zo- maar soms kwam broeder Kaatje.(We noemden alle onderwijzers altijd
heel beleefd en timide broeder en U, maar ondertussen gaven we ze wel
allemaal een bijnaam).Broeder Kaatje was gespecialiseerd in muziek en
hij pikte de mooiste stemmetjes eruit voor zijn grote koor:het kerkkoor
van mannen en jongens. Daar leerden we noten lezen, Gregoriaans en prachtige
meerstemmige kerkmuziek. In de klas ging het over het karretje dat op
de zandweg reed,bij de overigens strenge en harde broeder Kaatje kwam
de hemel erbij.
De enorme vooruitgang die
met name de westelijke wereld sinds de middeleeuwen heeft geboekt hebben
we in hoge mate te danken aan de autonome ontwikkeling van de exacte wetenschappen
en de techniek. Gebaseerd op puur rationeel-mathematische beginselen kunnen
we materieel en technisch gesproken inmiddels gigantisch veel, zo niet
bijna alles. Het is een goede zaak om met die lijn van ontwikkeling verder
te gaan (te beginnen bijvoorbeeld met verbetering van het rekenonderwijs
op de basisschool).
Op immaterieel gebied is
het nog helemaal niet zo duidelijk of we vooruitgang hebben geboekt,en
hoeveel,en op welke manier we die kunnen bereiken. Op een humane manier
met elkaar samenleven, zonder oorlogen in het groot en oorlogjes in het
klein,daar zijn we nog niet zo goed in. Wanneer je met een 18-tonner over
een brug rijdt die 2 ton kan dragen stort de brug in. Dat kunnen we uitrekenen.
Maar we hebben nog niet een goede antenne ontwikkeld om te weten wanneer
bij onszelf of bij een andere mens of groep de geestelijke en/of psychische
spankracht breekt dan wel een maximale geestelijke, mentale en/of psychische
spankracht wordt bereikt.
Daarvoor moeten we een veelzijdig waarnemings- en invoelingsvermogen leren
ontwikkelen en een grote variëteit aan creatieve mogelijkheden om
met anderen verbonden te raken en samen een betere situatie van leven
en samenleven te bewerkstelligen. Alfawetenschappen hebben we daarvoor
nodig. De kunsten,culturele en sociaal-culturele instellingen kunnen erbij
behulpzaam zijn. Een goed aanbod van morele, kunstzinnige,creatieve en
sociale vorming voor iedereen is onmisbaar.
.Al op jonge leeftijd woonde
ik met mijn moeder mijn eerste symfonische concert bij. Ik was daar helemaal
weg van,in het bijzonder van het schitterende langzame middendeel van
het vioolconcert van Brahms. Het werd gespeeld door Carlo van Neste met
het toenmalige Maastrichts Stedelijk Orkest. Het gevolg was dat ik van
Sinterklaas een driekwart viooltje kreeg. En daarna natuurlijk vioolles.
Daar had je ook toen al muziekscholen voor. Heerlijke en nuttige instellingen
toch.
Als de gemeenteraad zou besluiten het budget voor het onderhoud van de
wegen op voorhand structureel met tweederde te verminderen,maar wel aan
een plan te gaan werken om het wegenonderhoud kwalitatief beter te maken
zouden wij de raad voor gek verklaren.
De gemeenteraad heeft intussen wel besloten het budget voor de buitenschoolse
muzikale vorming op voorhand structureel met tweederde te verminderen
en aan een plan te gaan werken om de binnenschoolse muzikale vorming kwalitatief
beter te maken en misschien toch ook nog een heel klein ietsepietsie buitenschoolse
muzikale vorming te behouden. Ik heb niet de indruk dat de raad daarmee
een bevlogen vergezicht heeft geopend. De buitenschoolse muzikale hemel
die broeder Kaatje mij lang geleden liet beleven zie ik er nog niet van
komen.
Het is donderdag. Als altijd
bij ons:opa- en omadag. Vol trots kijk ik om tien voor zes kleinzoon Stijn
na. Hij is bijna tien en rijdt weg op zijn halfwas fiets – iets
tussen tafellaken en servet in. Aan de achterkant torent een lange hals
boven zijn hoofd:de hals van zijn gitaar. Hij gaat naar zijn les op de
muziekschool,net als opa vroeger. Maar hoe lang nog?
De vrijdag erna lees ik
in de literatuurbijlage van mijn krant dat er kladschriftjes zijn gevonden
met nooit gepubliceerde tekstjes van de Maastrichtse dichter Pierre Kemp.
Al omstreeks 1930 liet hij ons –zij het ongepubliceerd weten:
“Ik kom in den hemel,die er is,
En velen niet in den hemel,die er niet is”.
Jan Jacobs
oude
columns
|